November

De nevelslierten zweven traag boven de velden

In de verte blaft een boerderij hond

De eiken laten, geel, hun blad hangen

In de moestuin, stijf, de groene winterprei

wachtend tot de vorst zal invallen

of een hand ze zal vellen

Ik wik en weeg: zal ik vandaag

laarzen aan, kraag omhoog, de tuin in

Maar, als de eerste spetters hard op mijn gezicht landen

weet ik, vandaag werk ik binnen

aan mijn Tuinstukjes