De zweefvlieg - deel II

July 10, 2020

De zweefvlieg die ik op de teunisbloem zag - een grote langlijf (Sphaerophoria scripta) - heeft een tekening met gele strepen op een zwarte ondergrond. Zo'n streepjespatroon is kenmerkend is voor veel zweefvliegsoorten.

De S. Scripta bezoekt regelmatig tuinen en is zeer algemeen in Nederland en de rest van West-Europa. Het insect komt tot in Japan voor en leeft zelfs op Groenland! Zolang er maar genoeg voedsel is.

Heb je wat bloemen in de tuin staan dan heb je al gauw ook zweefvliegen. Ze foerageren op allerlei soorten en heten in Zweden niet voor niets 'blomflugor' (bloemvliegen).

Nu het slecht gaat met de bijen en hommels zijn zweefvliegen belangrijke bestuivers. Niet alleen van wilde bloemen en die in onze tuinen, maar vooral van landbouwgewassen. Daarnaast zijn zweefvliegen uitstekende bestrijders van bladluizen. Verreweg de meeste larven van zweefvliegen eten bladluizen. Eén enkele larve eet er wet tweehonderd! En één vrouwtjeszweefvlieg legt ruim 100 eitjes...

Nog een leuk zweefvlieg weetje: hun vleugels bewegen tot driehonderd keer per seconde! Dat is zo snel dat het menselijk oog het niet eens kan registreren. Als een zweefvlieg stil staat in de lucht kun je de vleugels dus niet zien, je ziet ze pas als de vlieg op een bloem of blad zit en in rust is.

 

Rattenstaarten en knolbewoners

Net als de vliegen kennen ook de zweefvliegen een volledige metamorfose (gedaanteverwisseling). Ze doorlopen alle stadia van ei, via larve en pop naar imago. 

Zweefvlieglarven zien er qua grootte en kleur gevarieerd uit. Hun larven leven in verschillende biotopen. Sommige larven zijn aquatisch en leven onder natte omstandigheden of zelfs in vervuild, zuurstofloos water (vervuilde vijvers en sloten, modderpoelen, dakgoten). Dat is mogelijk omdat ze een lange, telescopisch uitschuifbare adembuis hebben die aan hun achterlijf vastzit. Zo kunnen ze toch ademen. Het werkt net zo als een snorkel. Zo'n lange adembuis heet ook wel een rattenstaart en zulke larven worden rattenstaartlarven of rotjes genoemd (sommige mensen zien er meer een gelijkenis met vuurwerk in). Rattenstaartlarven leven van organisch afval. In zuiver water is er een nog veel grotere diversiteit van zweefvliegen.

Andere larven leven in wortels of knollen van planten en eten bladluizen. Er zijn ook larven die in bijen-, wespen- of mierennesten wonen of in dood hout. Ze roven hun eten.

Soms is de levenswijze van larven uiterst complex. Door de vraat van de wilgenhoutrups komt er sap vrij. Dit uitstromende wondsap van de wilg vormt de voedselbron voor de larven van de sapzwever, de bladloper en het kopermanteltje. Alles in de natuur hangt immers samen.

 

Grote langlijf

De grote langlijf is een van de meest voorkomende zweefvliegen. Dat komt omdat vlieg niet kieskeurig is en in veel biotopen leeft, in 't bijzonder in grasvegetatie en andere lage begroeiing. Daartussen zoekt het insect veelvuldig naar bloemen. Vooral gele composieten als boterbloemen, tormentil en Jacobskruiskruid zijn geliefd als voedselbron. De S. scripta komt nauwelijks in bossen voor.

Het vrouwtje heeft een typisch zweefvliegenlijf (zie foto): langgerekt, iets breder uitlopend rond het midden en spits eindigend. De mannetjes hebben geen verdikking rond het midden en een stomp lichaamsuiteinde. Bij de mannetjes is het (achter)lijf is langer dan de vleugels. Hieraan dankt de zweefvlieg zijn naam. 

Mannetjes van de grote langlijf bezetten korte tijd een gebied als een soort van territorium. Daar vliegen ze nogal onrustig tussen de planten heen en weer, af en toe foeragerend op een bloem. Na de paring zet het vrouwtje de eitjes op kruiden af. Als de larven uitkomen leven ze van allerlei soorten bladluizen die ze vooral op grasachtige planten vinden. 

Hoe hoger de temperatuur, hoe sneller de ontwikkeling van ei tot vlieg verloopt. Onder optimale omstandigheden duurt dit 20 dagen. Er komen meerdere, elkaar overlappende  generaties voor. In de zomer nemen de aantallen waarschijnlijk ook toe vanwege migratie.

 

Populatie zweefvliegen

Het gaat slecht met de insecten en daartoe behoren ook de zweefvliegen. Veel soorten gaan in aantallen achteruit en een aantal soorten verdween zelf geheel. Dit komt door de sterke achteruitgang van hun biotopen als hei en natte graslanden, de toegenomen intensivering van landbouw en de ontwatering. Ruim een eeuw geleden kwamen zweefvliegen nog overal in West-Europa voor, maar vandaag de dag leven ze grotendeels in natuurreservaten en bos- en stadsranden, waar veel wilde bloemen groeien.

Door adequaat beheer van natuurgebieden kunnen zweefvliegen en allerlei andere diersoorten, planten en schimmels (paddenstoelen) worden geholpen en zo worden hun kansen vergroot om te blijven voortbestaan. Ook zijn er tussen de biotopen verbindingszones nodig om te zorgen voor goede overlevingskansen.

Met de zweefvliegen die in bossen voorkomen is het iets beter gesteld. Dat komt omdat bossen tegenwoordig natuurlijker en minder intensief worden beheerd dan een eeuw geleden. Het merendeel van de zweefvliegen is aan bos gebonden. 

Zweefvliegen zijn een graadmeter voor de kwaliteit van gebieden.. Als je bijvoorbeeld wilt ween hoe het er met de leefbaarheid van een bos voorstaat, zoek dan naar de zweefvliegen die daar voorkomen. Meer dan 200 soorten van de ruim 350 zweefvliegen komen in bosgebieden voor! Ze hebben daarbinnen elk weer hun eigen microbiotoop, zoals een rottende boomwortel, een boomstronk met water, uitstromend boomsap, enz. Zie je veel soorten boszweefvliegen? Dan is je bos van goede kwaliteit.

Door de opwarming van het klimaat komen er steeds meer exoten voor. Dat geldt ook voor soorten zweefvliegen. Het geelbandkrieltje (Paragus quadrifasciatus) wordt nu ook al in Zuid- en Midden-Nederland waargenomen (Zuid-Limburg, Gelderland, Zuid-Holland), maar zat niet lang geleden nog een stuk zuidelijker dan Parijs.

 

In de tuin

Je kunt overal in de tuin zweefvliegen zien. Ze zitten vooral op en bij bloemen waarvan de nectar makkelijk bereikbaar is, zoals wilgenkatjes, boterbloemen, schermbloemen, gele composieten, braam, kruisbloemigen, sleedoorn, meidoorn. Sommige soorten met een lange tong, zoals de gewone snuitvlieg (Rhingia campestris) kun je ook bij bloemen zien waar de nectar wat minder makkelijk te bereiken is, bijvoorbeeld  dovenetel en reigersbek.

Kijk ook bij bloeiende grassen, smalle weegbree en de bladeren van de braam (bladlopers). 

Je kunt zweefvliegen en andere insecten door geen chemische bestrijdingsmiddelen te gebruiken en je tuin niet te netjes te maken. Laat oude houtstronken eens liggen, laat oude planten staan en maai niet al het gras af. Zorg voor water in de tuin (mini-vijver, waterschaal) en bloemen met meeldraden (geen dubbele bloemen, waar insecten niets hebben).

 

(Bron: Wikipedia: Soortenbank nl; Tuin Thijs; Gardensafari; Natuurtijdschriften nl; Waarneming nl - fotogids zweefvliegen Natuurpunt be; Panneweel be - Een impressie over zweefvliegen in het Waasland, Marc Bogaerts) 

Vrouwtje van de grote langlijf (S. scripta) ^ 

De volgende dag zag ik er wéér eentje!^ 

 

Share on Facebook
Share on Twitter
Please reload